Sprinklerbeveiliging
Definities
Volgens NFPA 13 (editie 2007) gelden de volgende definities:
Sprinkler
Een apparaat om een brand te blussen of te controleren dat automatisch in werking treedt als het hittegevoelig element wordt verhit tot (of boven) de aanspreektemperatuur waarna water over een bepaald vloeroppervlak wordt verspreid.
Sprinklersysteem
Een sprinklersysteem is een buizenstelsel met sprinklers in een regelmatig patroon, ontworpen volgens een sprinklervoorschrift, voorzien van ten minste één watervoorziening. Een sprinklersysteem is voorzien van een alarmklep met een voorziening om een brandalarm te genereren als het systeem in werking treedt.
Sprinklersystemen zijn speciale brandbeveiligingsvoorzieningen die de nodige kennis en ervaring vereisen bij het ontwerp en de aanleg.
Introductie
Een sprinklerinstallatie is eigenlijk geen installatie maar een brandbeveiligingsconcept. Vanwege de randvoorwaarden die nodig zijn om een brand doeltreffend te kunnen bestrijden kan een sprinklerinstallatie niet los gezien worden van het te beveiligen gebouw en het gebruik daarvan.
Beter is het daarom om niet van een sprinklerinstallatie te spreken, maar van een sprinklerbeveiliging.
Een sprinklerbeveiliging kan alleen doeltreffend zijn als de volgende aspecten nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd (de "BIO" van de beveiliging):
- Het bouwkundig ontwerp van het gebouw (Bouwkundige aspecten);
- De sprinklerinstallatie zelf (Installatietechnische aspecten);
- Het gebruik van het gebouw (Organisatorische aspecten).
Doelstelling
Het doel van een sprinklerinstallatie is afhankelijk van de belanghebbende of eisende partij.
Overheid
Een sprinklerinstallatie moet een eventuele brand detecteren, signaleren, doormelden naar de brandmeldpost en blussen of zodanig controleren dat de brand voor de brandweer beheersbaar blijft, danwel de gebouwconstructie intact blijft.
Verzekeraar
Een sprinklerinstallatie moet een eventuele brand detecteren, signaleren en blussen of zodanig beheersen dat de brandschade tot een aanvaardbaar minimum wordt beperkt.
Eigenaar/gebruiker
Een sprinklerinstallatie moet een eventuele brand detecteren, signaleren en blussen of zodanig beheersen dat de bedrijfscontinuïteit geen gevaar loopt als gevolg van verlies van bedrijfsmiddelen (gebouwen, machines, voorraden enz.).
Geschiedenis
De eerste automatische sprinkler werd al in 1874 ontwikkeld. De eerste sprinklerinstallaties werden vooral in de textielindustrie toegepast. Het eerste sprinklervoorschrift (NFPA) dateert uit 1896.
Met name de afgelopen 20 jaar is de sprinklertechniek aanmerkelijk verbeterd, met als belangrijkste doelstelling het verlagen van de kosten van een sprinklerinstallatie en het verbeteren van de werking. Hierdoor is het mogelijk om bijvoorbeeld opslaggebouwen met uitsluitend sprinklers aan het dak te beveiligen (zonder extra sprinklers in de stellingen) en om een kantoorgebouw met de helft van het aantal sprinklers te beveiligen dat voorheen nodig was.
Er bestaan nu voor vrijwel elke situatie passende sprinklers en sprinklervoorschriften.
Toepassingen
Bouwbesluit
Een sprinklerbeveiliging wordt in de bouwvoorschriften niet direct voorgeschreven, maar kan worden toegepast in het kader van een gelijkwaardige invulling van een prestatie-eis uit het Bouwbesluit of voor een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt.
De beoordeling van een gelijkwaardige invulling van een prestatie-eis of gelijkwaardige veiligheid wordt door de gemeente gedaan (op advies van de brandweer).
Gelijkwaardige invulling prestatie-eis
Sprinklerinstallaties zijn in het kader van gelijkwaardigheid toepasbaar in de volgende situaties:
- Vergroting van brandcompartimenten.
- Verlagen van de brandwerendheid op bezwijken van hoofddraagconstructies.
- Verlengen loopafstanden.
Ad a:
Brandcompartimenten mogen volgens het Bouwbesluit niet groter zijn dan 1.000 m2 voor nieuwbouw.
Vaak is het wenselijk om grotere brandcompartimenten te maken. In het brandbeveiligingsconcept Beheersbaarheid van Brand (BvB) is een rekenmethode opgenomen waarmee de maximaal toegestane brandcompartimentsgrootte kan worden bepaald, gerelateerd aan de hoeveelheid brandbaar materiaal in het gebouw (ook wel genoemd: vuurlastberekening). De toepassing van een sprinklerinstallatie maakt in het kader van BvB een vergroting van brandcompartimenten mogelijk met een factor 20, 25 of 33 ten opzichte van een situatie zonder sprinklerinstallatie. De factor is afhankelijk van de uitvoering van de watervoorziening.
Ad b:
Het Bouwbesluit staat een verlaging van de brandwerendheid op bezwijken van de hoofddraagconstructie toe als de permanente vuurbelasting lager is dan 500 MJ/m2. Op basis van deze regel wordt voor gesprinklerde gebouwen door veel gemeenten eveneens een verlaging met 30 minuten toegestaan. Ook komt het voor dat zowel de verlaging op basis van een lage permanente vuurlast als vanwege een sprinklerinstallatie toegepast mag worden.
Ad c:
De "Handreiking Grote Brandcompartimenten" (uitgave VROM) staat onder voorwaarden een verdubbeling van de maximale loopafstanden uit het Bouwbesluit toe. Vanwege de randvoorwaarde die hierin worden gesteld voor wat betreft de maximale vuurlast en het toe te passen type sprinkler leent deze handreiking zich vooral voor niet-industriële objecten.
Het verlengen van loopafstanden in combinatie met een sprinklerinstallatie kan ook worden onderbouwd door middel van rooklaagberekeningen volgens het TNO Vultijdenmodel. Hiermee wordt met een computermodel de rookopbouw in een ruimte gesimuleerd zodat vastgesteld kan worden hoeveel vluchttijd daadwerkelijk aanwezig is. Een sprinklerinstallatie beperkt de rookontwikkeling en leidt daarmee tot langere vluchttijden. Deze methode is toepasbaar voor gebouwen vanaf 5 m interne hoogte en leent zich daardoor met name voor industriële (opslag)gebouwen.
Gelijkwaardige veiligheid
Sprinklerinstallaties kunnen tevens worden toegepast in het kader van gelijkwaardige veiligheid in situaties die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit vallen: bijvoorbeeld voor gebouwen hoger dan 70 m, ondergrondse gebouwen of objecten zoals tunnels.
Overige regelgeving
Sprinklerinstallaties kunnen van overheidswege worden geëist op basis van andere (milieu)regelgeving, zoals voor de opslag van consumentenvuurwerk of voor opslag van gevaarlijke stoffen (volgens PGS 15).
Verder kunnen sprinklers in woningen of woongebouwen worden toegepast op basis van gelijkwaardigheid. Bepaalde bouwkundige eisen kunnen hierdoor worden verlaagd of zelfs achterwege worden gelaten. Een overzicht van de mogelijkheden is opgenomen in Bijlage A "Gelijkwaardigheid woningsprinklers" van de NVBR publicatie "Brandbeveiligingsinstallaties.
Gebruiksbesluit
In Artikel 2.5.1 van het Gebruiksbesluit wordt gesteld dat er met betrekking tot het gebruik van een automatische brandblusinstallatie (waaronder sprinklerinstallaties) een geldig "document" moet kunnen worden overlegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling. Het artikel heeft tot doel de goede werking van een blusinstallatie te garanderen, ook na verloop van tijd.
Voorschriften
NEN-EN 12845
In principe is EN 12845 de Europese norm voor sprinklerinstallaties. De Nederlandse versie van die norm (NEN-EN 12845) vervangt NEN 6094 en de VAS.
Om diverse zaken die in de memoranda behorend bij de VAS waren geregeld maar die geen integraal onderdeel zijn van NEN-EN 12845 is in aanvulling op de norm de (ontwerp) NEN 1073 opgesteld.
De combinatie van NEN-EN 12845 en NEN 1073 maakt het mogelijk om (optioneel) een verhoogd veiligheidsniveau te realiseren zoals dat in de Nederlandse praktijk gebruikelijk is.
In grote lijnen komt NEN-EN 12845 (in combinatie met NEN 1073) overeen met de VAS.
NEN-EN 12845 bevat uitsluitend de sprinklertypen zoals vastgelegd in EN 12259-1: dit betreft de "standaard" sprinklers. Op een niet nader genoemde termijn zouden ook andere typen sprinklers (ESFR, Extended Coverage, enz.) deel uit moeten gaan maken van de norm.
Ook wordt in de NEN-EN 12845 een sprinklermeldsysteem met doormelding naar de brandweer niet verplicht gesteld. Dit is voor certificering echter wel een voorwaarde.
Verder bevat NEN-EN 12845 vrij summiere regelgeving voor de beveiliging van industriële risico’s, zoals opslag van spuitbussen en/of brandbare vloeistoffen of bijzondere productieprocessen.
NFPA en FM
Aangezien NEN-EN 12845 (nog) niet van toepassing is op afwijkende sprinklertypen en bijzondere risico's, zal voor deze situaties moeten worden uitgeweken naar andere voorschriften en/of normen.
Hiervoor kunnen de voorschriften van de National Fire Protection Association (NFPA) uit de VS worden toegepast. Er zijn NFPA-voorschriften beschikbaar voor alle sprinklertypen en voor de meeste industriële risico's.
Als alternatief voor de NFPA-voorschriften kunnen ook de voorschriften van FM Global worden toegepast. Deze voorschriften bevatten de laatste stand der techniek voor wat betreft sprinklerbeveiligingen. FM Global beschikt over een eigen testcentrum waarin voortdurend naar verbeteringen wordt gezocht en waar nieuwe sprinklertypen worden ontwikkeld. De bevindingen worden zeer regelmatig in revisies van de sprinklervoorschriften van FM verwerkt.
In tegenstelling tot de NEN-EN 12845 (en voorheen ook de VAS) worden de NFPA- en FM-voorschriften regelmatig aangepast aan de laatste stand der techniek. Daarmee is steeds gewaarborgd dat de ontwerpgegevens van een sprinklerbeveiliging aansluiten bij de praktijk.
Overig
Er zijn nog diverse andere sprinklervoorschriften (o.a. LPC, CEA, VdS). Deze worden slechts bij hoge uitzondering in Nederland toegepast.
Toepassing
Het toepassen van (delen van) verschillende voorschriften voor dezelfde sprinklerinstallatie moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Dit geldt niet voor alle onderdelen van een sprinklerinstallatie: voor bijvoorbeeld het sprinklermeldsysteem wordt nog steeds gebruik gemaakt van hoofdstuk 9 van de VAS in combinatie met de NEN 2535 en daaraan gerelateerde normen, ook als de overige installatiedelen zijn gebaseerd op de NFPA- of FM-voorschriften. Dit vanwege het feit dat deze voorschriften beter aansluiten bij de Nederlandse praktijk en overige veiligheidsvoorschriften zoals NEN 1010 voor elektrische installaties. Ook wordt voor leidingmaterialen en de beugeling ervan veelal nog gebruik gemaakt van de regels uit de VAS. Dit mede vanwege de relatie met de in Nederland (al dan niet uit voorraad) leverbare materialen.
Omvang sprinklerbeveiliging
Volgens de sprinklervoorschriften moet een gebouw in principe geheel worden gesprinklerd. Alleen ruimten met een beperkte omvang en/of een lage vuurlast mogen ongesprinklerd blijven.
Afhankelijk van de doelstelling van de sprinklerbeveiliging zal per situatie moeten worden vastgesteld welk deel van een gebouw moet worden beveiligd.
Zie ook de paragraaf "Certificering" voor de eisen die worden gesteld aan de bouwkundige scheidingen tussen gesprinklerde en ongesprinklerde gebouwen of gebouwdelen.
Werking
Sprinklers worden in een regelmatig patroon onder het dak of plafond van de te beveiligen ruimte aangebracht. Sprinklers zijn voorzien van een klepje dat de opening van de sprinkler afsluit zodat er geen water uit de sprinklers komt in de normale toestand.
Als de temperatuur in de directe omgeving van een sprinkler voldoende hoog wordt (als gevolg van een brand) spreekt het hittegevoelig element van de sprinkler (of sprinklers) aan en valt het klepje weg zodat bluswater uit de sprinkler treedt. Het bluswater wordt in een parapluvormig patroon onder de sprinkler verspreid over de brandhaard.
De controlerende werking van sprinklers op een brand is gebaseerd op de volgende principes:
- Koelen van de brandhaard;
- Smoren van de brand (verdrijving van lucht, oftewel zuurstof) door de ontwikkeling van stoom;
- Nathouden van de omgeving van de brand waardoor de branduitbreiding wordt beperkt.
Blussing van een brand (al dan niet met speciale sprinklers) wordt bereikt door de temperatuur van de brandhaard zover te verlagen dat de exotherme oxidatie reactie (wat een brand feitelijk is) tot stilstand komt.
Door de waterverspreiding onder het dak wordt tevens bereikt dat de gebouwconstructie intact blijft.
Een sprinklerbeveiliging gaat uit van het algemene principe dat er op één plaats in een gesprinklerd gebouw een brand optreedt. Bij meerdere brandhaarden (bijvoorbeeld als gevolg van brandstichting) bestaat de kans dat het sprinklersysteem wordt "overvraagd" en de branden niet kunnen worden geblust of gecontroleerd.
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is het ook niet zo dat de kans op het ontstaan van brand een rol speelt bij het ontwerp van een sprinklerbeveiliging: er wordt vanuit gegaan dat er een brand kan ontstaan. Hoe vaak dit zou kunnen gebeuren is niet relevant.
Bij het ontwerp van de sprinklerbeveiliging speelt de mogelijke ontwikkelingssnelheid van een brand een grote rol: een beveiliging van houtwol is vele malen zwaarder dan een beveiliging van hetzelfde gewicht aan hout in de vorm van boomstammen.
De te verwachten branduitbreidingssnelheid bepaalt hoeveel water er per tijdseenheid over een bepaald vloeroppervlak verspreid moet kunnen worden door de sprinklerbeveiliging.
Het ontwerp van een sprinklerinstallatie is daarnaast van vele factoren afhankelijk. Van invloed zijn o.a.:
- Omgevingstemperatuur;
- Gebruiksfunctie;
- Soort opslag;
- Gebouwhoogte;
- Opslaghoogte;
- Opslagmethode (los gestapeld, stellingen, enz.);
- Breedte gangpaden tussen opslag;
- Aanwezigheid en afmetingen van legborden in stellingen;
- Dakhelling;
- Toe te passen type sprinkler.
Techniek
Een sprinklerinstallatie bestaat minimaal uit:
- Sprinklers;
- Leidingen waarop de sprinklers zijn aangesloten;
- Een zogenaamde "alarmklep", dit is een speciale terugslagklep die ervoor zorgt dat bij het aanspreken van een sprinkler een brandalarm wordt gegenereerd;
- Een watervoorziening;
- Een sprinklermeldsysteem, dit is een soort uitgebreide brandmeldinstallatie waarop niet alleen de brandalarmen worden gesignaleerd, maar ook storingen van de installatie. Verder verzorgt het sprinklermeldsysteem de doormelding van het brandalarm naar de brandweer en de doormelding van storingen naar een storingsmeldpost (Particuliere alarmcentrale, PAC).
Verreweg de meeste sprinklerinstallaties (meer dan 96%) zijn zogenaamde "natte" installaties waarbij het gehele sprinklerleidingnet is gevuld met water.
In uitzonderingsgevallen worden andere typen toegepast: droge installaties in ruimten met vorstgevaar, pre-action systemen in ruimten waarin het voorkomen van waterschade extra belangrijk is (bijvoorbeeld computerruimten) of deluge systemen (waar een zeer snelle branduitbreiding is te verwachten, zoals in de chemische industrie).
Er zijn tientallen verschillende typen sprinklers, elk met hun specifieke toepassing.
Enkele veel toegepaste typen zijn:
- Spray sprinkler pendent: hangend gemonteerde sprinkler onder een verlaagd plafond in bijvoorbeeld kantoren;
- ESFR sprinkler (staat voor: Early Suppression Fast Response): speciaal ontwikkeld voor opslaggebouwen om extra sprinklers in de palletstellingen te kunnen weglaten;
- Dry side wall sprinkler: een sprinkler gemonteerd op een stuk leiding met een klepje erin dat door een gevel kan worden gestoken om bijvoorbeeld een luifel te beveiligen. Door het klepje in de leiding staat er normaal geen water in de leiding dat kan bevriezen. Water wordt pas toegelaten als de sprinkler aanspreekt.
Afhankelijk van het soort brandrisico en het toegepaste type sprinkler, kan een sprinkler een vloeroppervlak van 3 tot 37 m2 beveiligen en een hoeveelheid water van ca. 30 tot meer dan 800 liter per minuut leveren.
Het bepalen van de juiste uitgangspunten, het ontwerpen en de aanleg van een sprinklerbeveiliging is een vrij complexe aangelegenheid die voorbehouden is aan specialisten.
Watervoorziening
NEN-EN 12845
In NEN-EN 12845 wordt niet geregeld welke uitvoering van de watervoorziening moet worden gerealiseerd bij een bepaalde sprinklerinstallatie (enkelvoudig, tweevoudig of een tussenvorm).
Vanuit de VAS is (was) dit geregeld in memoranda nrs. 17, 36A en 62.
De uitvoeringsvormen worden wel beschreven in NEN-EN 12845 (komt niet geheel overeen met de VAS en BvB):
- Enkelvoudige uitvoering (ook wel genoemd: Derde graad)
- Drinkwaterleiding (al dan niet met een sprinklerpomp);
- Druktank (wordt vrijwel niet meer toegepast);
- Hoog gelegen reservoir (alleen een reëel alternatief bij hoogbouwsituaties);
- Reservoir met sprinklerpomp (bovengrondse tank of ondergrondse betonnen kelder);
- Sprinklerpomp op open water (kanaal of vijver).
- Uitvoering als supertoevoer (ook wel genoemd: Tweede graad)
- Drinkwaterleiding van twee zijden gevoed (al dan niet met een sprinklerpomp);
- Hoog gelegen reservoir (alleen een reëel alternatief bij hoogbouwsituaties);
- Reservoir met twee sprinklerpompen (bovengrondse onderhoudsarme stalen tank of ondergrondse betonnen kelder);
- Twee sprinklerpompen op open water (kanaal of vijver).
- Tweevoudige uitvoering (ook wel genoemd: Eerste graad)
- Elke combinatie van enkelvoudige of supertoevoer uitvoeringen (een druktank is daarbij aan voorwaarden gebonden).
De toepassing van de drinkwaterleiding als watervoorziening staat de laatste tijd steeds meer onder druk omdat waterleidingbedrijven dit vaak niet meer toestaan of een hoog vastrecht in rekening brengen voor de aansluiting.
Een uitvoering met sprinklerpompen die het bluswater uit open water betrekken is vrijwel altijd kostbaarder dan een bovengronds waterreservoir.
Ook is vrijwel altijd een betonnen waterkelder duurder dan een bovengrondse tank.
Het overgrote deel van de in Nederland aangelegde sprinklerinstallaties heeft een watervoorziening bestaande uit een elektrisch aangedreven sprinklerpompset op de drinkwaterleiding of een dieselmotor aangedreven sprinklerpompset op een bovengrondse tank.
NFPA/FM
In de voorschriften van NFPA en FM wordt gesteld dat de eisende partij moet bepalen welke vorm van watervoorziening aangelegd moet worden.
Beheersbaarheid van Brand (BvB)
Zoals al eerder vermeld, mag een sprinklerinstallatie worden toegepast voor het vergroten van brandcompartimenten op basis van het brandveiligheidsconcept Beheersbaarheid van Brand (BvB). In BvB wordt onderscheid gemaakt naar de uitvoering van de watervoorziening van de sprinklerinstallatie om de vergrotingsfactor te bepalen. Op basis hiervan wordt een sprinklerinstallatie ingedeeld in niveau "Normaal", "Verbeterd" of "Hoog". De watervoorzieningen worden daarbij ingedeeld als enkelvoudig, tweevoudig of een tussenvorm daarvan.
Voor niveau "Hoog" wordt echter aangegeven dat de watervoorziening uit 2 bronnen en 2 pompen zou moeten bestaan, analoog aan het gestelde in NEN-EN 12845 voor een tweevoudige watervoorziening. De optie met een enkelvoudig onderhoudsarm reservoir ("reinwatertank") zoals vermeld in de VAS (sub 4.1.7.3 f) wordt daarbij niet genoemd.
Veel gemeenten accepteren echter de uitvoering met 2 pompen op een reinwatertank of –kelder als niveau "Hoog".
Ook wordt in BvB voor niveau "Hoog" de toepassing van een ringleiding voorgeschreven met per alarmklep een aansluiting en blokafsluiters. De exacte uitvoering wordt echter niet beschreven. Aangenomen mag worden dat hiermee een ondergrondse voedingsleiding buiten het gebouw wordt bedoeld die in de vorm van een ring om het betreffende brandcompartiment wordt aangelegd. Per alarmklep wordt dan een aftakking vanaf de ring in het gebouw aangebracht, met een afsluiter in de aftakking zelf en aan weerszijden van de aftakking in de ringleiding. De uitvoering van dit soort grondleidingen wordt in de VAS of NEN-EN 12845 niet omschreven. NFPA en FM bieden hiervoor wel voorschriften.
Ter overweging wordt nog het volgende opgemerkt:
De ringleiding wordt voorgeschreven om de betrouwbaarheid van de watervoorziening verder te verhogen. De extra betrouwbaarheid van een ringleiding is echter statisch niet onderbouwd, maar brengt wel relatief hoge extra kosten met zich mee. In dat kader kunnen op basis van gelijkwaardigheid ook andere voorzieningen worden overwogen, zoals omloopleidingen om de alarmkleppen (zodat bij onderhoud de toevoer van water mogelijk blijft en de sprinklersectie in bedrijf kan worden gehouden) of een opstelling van de alarmklep(pen) op plaatsen waar de kans op mechanische beschadiging (bijvoorbeeld heftrucks) minder groot is.
NVBR
Opgemerkt wordt nog dat in de publicatie "Brandbeveiligingsinstallaties" van de NVBR een beslistabel is opgenomen voor het vaststellen van de vereiste graad van de watervoorziening. Deze tabel sluit echter niet aan bij de alle sprinklervoorschriften en stemt bovendien niet overeen met de certificeringvoorwaarden en BvB - 2007. Toepassing van deze richtlijn moet dan ook in nader overleg met alle betrokkenen plaatsvinden.
Certificering
De kwaliteit van sprinklerinstallatie kan worden bevestigd door een certificaat. Een certificaat is een conformiteitverklaring waarmee wordt vastgelegd dat de installatie is aangebracht en wordt toegepast in omstandigheden die in overeenstemming zijn met het document (en het voorschrift) waarin de uitgangspunten zijn vastgelegd.
Een certificaat verklaart dat de sprinklerbeveiliging voldoet aan de doelstelling.
Certificering vindt plaats na oplevering van de sprinklerbeveiliging en moet daarna periodiek worden verlengd. Als onderdeel van de certificering worden namelijk niet alleen de sprinklerinstallatie zelf, maar ook de bouwkundige- en organisatorische randvoorwaarden getoetst. De organisatorische voorwaarden hebben vooral betrekking op het juiste gebruik (beheer) van de sprinklerbeveiliging.
Controle op het beheer van de installatie is daarom belangrijk gedurende het gebruik van het betreffende gebouw. Bouwkundige wijzigingen of gewijzigde gebruiksomstandigheden (bijvoorbeeld gewijzigde logistiek, andere verpakkingsmaterialen enz.) kunnen aanpassingen van de installatie of gebruiksvoorwaarden noodzakelijk maken.
De procedure voor het certificeren van sprinklerbeveiligingen is vastgelegd in een inspectieschema: VBB – 2008 (Vast opgestelde Brandbeheers- en Blussystemen, uitgave april 2008).
Dit schema wordt beheerd door het CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid). Het CCV is opgericht door koepelorganisaties die belang hebben bij preventie en veiligheid. Initiatiefnemers zijn de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, het Verbond van Verzekeraars, de Raad van Hoofdcommissarissen, werkgeversvereniging VNO-NCW en de Vereniging Nederlandse Gemeenten.
Met ingang van 1 januari 2005 is het CCV belast met het beheer en management van certificatieschema's op het gebied van criminaliteitspreventie en brandbeveiliging. Het CCV streeft naar harmonisatie en verbetering van de onderlinge afstemming van deze certificatieschema's.
In VBB – 2008 (en daarmee samenhangend ISO/IEC 17020 en VVB-09) worden de procedures en de aan de betrokken partijen te stellen eisen vastgelegd. Voor de verdere inhoud van de schema’s wordt verwezen naar de website van het CCV (www.hetccv.nl).
Voorheen vond certificering vaak plaats op basis van de regeling LPS-1233. Belangrijke verschillen tussen VBB – 2008 en LPS 1233 zijn:
- De uitgangspunten voor de sprinklerbeveiliging worden door een andere partij vastgelegd dan de inspectie-instelling die de uiteindelijke certificering verzorgd.
- Uitgangspunten kunnen op verschillende manieren worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een Programma van Eisen of een Masterplan Brandbeveiliging.
- Aan de opsteller van het uitgangspuntendocument worden in principe geen specifieke kwaliteitseisen gesteld.
- Het uitgangspuntendocument moet worden getoetst door de betrokken inspectie-instelling.
- Het Basisdocument Brandbeveiliging (BdB) zoals voorheen op te stellen door de inspectie-instelling wordt vervangen door een Inspectieplan.
- In het Inspectieplan wordt de toetsing van het uitgangspuntendocument vastgelegd.
- Het certificaat wordt door de betrokken inspectie-instelling verstrekt (niet meer door een certificatie-instelling).
In het recent verleden werd nog onderscheidt gemaakt tussen zogenaamde "volledige" en "partiële" certificering. Het verschil hiertussen lag voornamelijk in de brandwerendheid van de bouwkundige scheidingen tussen gesprinklerde en ongesprinklerde gebouwen of gebouwdelen.
Sinds het verschijnen van Memorandum 65 (zie www.hetccv.nl) zijn deze termen komen te vervallen en is voor de certificering van de sprinklerbeveiliging een classificatie op basis van de brandcompartimentering bepalend. Deze klasse-indeling sluit beter aan bij de eisen voor brandcompartimentering vanuit het Bouwbesluit.
In Memorandum 65 worden vier klassen A t/m D omschreven:
- Brandcompartimentsklasse A: volledig gesprinklerd gebouw met een WBDBO van 60 minuten ten opzichte van de omgeving.
- Brandcompartimentsklasse B: deels gesprinklerd gebouw met een WBDBO van 60 minuten ten opzichte van de omgeving en tussen de gesprinklerde en ongesprinklerde delen van het gebouw.
- Brandcompartimentsklasse C: deels gesprinklerd gebouw met een WBDBO van minder dan 60 minuten ten opzichte van de omgeving en tussen de gesprinklerde en ongesprinklerde delen van het gebouw (voldoet wel aan het uitgangspuntendocument, maar niet aan het Bouwbesluit).
- Brandcompartimentsklasse D: beveiliging waarbij alleen een installatie of een object is beveiligd.
De betreffende brandcompartimentsklasse moet op het certificaat worden vermeld.
Installatieonderdelen die zich buiten het met sprinklers beveiligde gebied bevinden hoeven in het kader van de certificering niet tegen brand te worden beveiligd.
Beheer
Om te waarborgen dat de sprinklerinstallatie onder alle omstandigheden aan de doelstelling kan vol doen is goed onderhoud en toezicht op de gebruiksregels belangrijk.
De eisen ten aanzien van controle en onderhoud worden omschreven in NEN-EN 12845 en de NFPA-/FM-voorschriften.
De gebruiker van het gebouw zal zich moeten houden aan de eisen ten aanzien van de opslagconfiguratie (opslaghoogte, type goederen, enz.) en zal bij verbouwingen de sprinklerinstallatie moeten laten aanpassen.
De controle op naleving van deze eisen maakt onderdeel uit van de certificeringprocedure.
Wanneer een sprinklerinstallatie voor onderhoud, wijziging of reparatie buiten bedrijf is gesteld, moeten extra voorzorgsmaatregelen ten aanzien van brandveiligheid worden getroffen en moeten alle belanghebbende partijen worden geïnformeerd.
Brandweerinzet in een gesprinklerd gebouw
Gecertificeerde sprinklerinstallaties moeten worden voorzien van een automatische doormelding naar de regionale brandweeralarmcentrale (BAC).
Aangezien sprinklers alleen activeren door een brand of door mechanische beschadiging, kan er bij een brandalarm van een sprinklerbeveiliging vanuit worden gegaan dat er daadwerkelijk iets aan de hand is.
Om bij de inzet zo min mogelijk tijd te verliezen is het van belang dat de lokale brandweer op de hoogte is van de uitvoering van de sprinklerbeveiliging van een bepaald gebouw. Hierbij zijn vooral de locatie van het brandweerpaneel van belang (bepalen locatie brandalarm), de toegang tot de sprinklerpompruimte (status van de installatie bepalen) en de locatie(s) van de alarmkleppen (om de juiste stand van de hoofdafsluiters te bepalen en om bij brandmeester of een mechanisch beschadigde sprinkler zo snel mogelijk de watertoevoer af te sluiten om verdere waterschade te beperken).
Belangrijk: de watertoevoer mag pas worden gestopt als absoluut zeker is dat een brand daadwerkelijk is geblust.
Afsluiters van alarmkleppen die niet in werking zijn geweest mogen niet worden gesloten.
De sprinklerpomp kan worden gestopt nadat de brand is geblust, maar mag niet worden uitgeschakeld.
Om de sprinklerbeveiliging weer zo snel mogelijk operationeel te hebben moeten geopende sprinklers zo snel mogelijk worden vervangen, alle afsluiters in de normale stand worden gezet en de watervoorraad worden bijgevuld en zonodig ook de brandstofvoorraad van de sprinklerpomp.
Mocht er een herontsteking van een brand optreden, dan kan de sprinklerbeveiliging deze weer adequaat bestrijden.
Voor een veilige binnenaanval is het van belang om het gebruik van de verschillende ruimten te kennen, denk aan: machine-opstellingen, palletstellingen, soort goederen in opslag enz.
Statistieken
Een goed onderhouden, gecertificeerde sprinklerbeveiliging die is afgestemd op het gebruik van het gebouw kent een zeer lage faalkans.
Recente statistieken van NFPA gebaseerd op gegevens van de brandweer in de VS in de periode 2002 – 2004 geven de volgende cijfers:
- Sprinklers treden in werking bij 93% van de branden groot genoeg om een sprinkler te activeren;
- Als sprinklers in werking treden wordt in 97% van de gevallen de brand geblust of ten minste gecontroleerd;
- De brandschade wordt beperkt met 34 tot 68% van de brandschade ten opzichte van ongesprinklerde vergelijkbare objecten;
- In 89% van de gevallen wordt een brand beperkt tot de ruimte waarin deze is ontstaan, ten opzichte van 57% in ongesprinklerde vergelijkbare objecten;
- Het aantal dodelijke slachtoffers wordt met meer dan 57% beperkt.
In situaties waarbij sprinklers niet in werking traden bij een brand lag de oorzaak bij:
- Systeem buiten werking gesteld voorafgaand aan brand: 66%;
- Brand al handmatig geblust (met bijvoorbeeld brandslanghaspel): 16%;
- Gebrek aan onderhoud: 10%;
- Systeem niet geschikt voor de brand (bijvoorbeeld explosie of smeulbrand): 6%;
- Systeemcomponent beschadigd: 2%.
In situaties waarbij sprinklers wel in werking traden maar de brand niet werd geblust of gecontroleerd lag de oorzaak bij:
- Bluswater bereikte de brandhaard niet (bijvoorbeeld dichte legborden toegepast in palletstellingen zonder het sprinklersysteem hierop aan te passen): 41%;
- Onvoldoende bluswater op de brand gebracht (bijvoorbeeld opslag van andere goederen dan waarop het sprinklersysteem was ontworpen): 29%;
- Systeem niet geschikt voor de brand (bijvoorbeeld explosie of smeulbrand): 14%;
- Gebrek aan onderhoud: 6%;
- Brand handmatig geblust: 6%;
- Systeemcomponent beschadigd: 4%.
In het kader van de gelijkwaardigheid waarbinnen sprinklerbeveiligingen worden toegepast wordt nog opgemerkt dat eisende partijen nogal eens uitgaan van een vrij hoge faalkans, wat vrijwel nooit een overweging is bij bouwkundige brandbeveiligingsvoorzieningen. Terwijl ook hierbij sprake is van een faalkans: denk aan brandwerende deuren die niet goed (meer) sluiten, doorvoeringen in brandmuren die voor het leggen van nieuwe kabels worden opengebroken en naderhand niet adequaat worden afgewerkt enz.
Veel voorkomende misverstanden
Mede als gevolg van een verkeerde voorstelling in films, bestaan er nog veel misverstanden over de werking en de toepassingsmogelijkheden van sprinklers.
Een aantal voorbeelden voor wat betreft misverstanden omtrent de werking van sprinklers:
- Sprinklers reageren niet op rook (met een sigaret kun je dus geen sprinklers in werking stellen!);
- Sprinklers worden niet geactiveerd door een handbrandmelder in te drukken (alleen bij deluge systemen is dit mogelijk, maar die komen slechts voor in de chemische industrie);
- Sprinklers treden niet in het hele gebouw in werking als één sprinkler activeert (alleen de sprinklers die zich in de nabijheid van de brand bevinden en voldoende worden verhit treden in werking);
- Sprinklers treden niet in het hele gebouw in werking als een rookmelder activeert (dit is alleen mogelijk bij een deluge systeem);
- Sprinklers spreken niet "zomaar" aan: de kans op het openen van een sprinkler door een defect aan de sprinkler zelf is slechts 1 op 14 miljoen.
Verder nog enkele voorbeelden voor wat betreft misverstanden met betrekking tot de toepassing van sprinklers:
- Wandsprinklers zijn niet geschikt om een gevel te beschermen. Dit type sprinkler is ontworpen om een gebied dat vòòr een wand of gevel ligt te beveiligen, niet de wand zelf. Voor de bescherming van een gevel moeten spray sprinklers worden toegepast, gericht op de betreffende gevel. Voor de bescherming van glazen puien kunnen speciale sprinklers worden toegepast;
- Met sprinklers kunnen geen onbeperkte geveloppervlakken worden beveiligd. Eén rij sprinklers aan de bovenzijde van een gevel van 12 m hoogte is volstrekt onvoldoende. Per 3,7 m gevelhoogte is een rij sprinklers vereist en bovendien is het van te voren vrijwel onmogelijk om vast te stellen over welke lengte van de gevel sprinklers in werking zouden kunnen treden wat het ontwerp van dit soort beveiligingen erg lastig maakt.
- Het heeft geen zin om een gedeelte van een gebouw te sprinkleren om branddoorslag naar een naastgelegen ruimte te voorkomen. Een brand kan zich dan in het ongesprinklerde deel van de ruimte ongecontroleerd ontwikkelen en zal de sprinklers overvragen. Ook bestaat de kans dat de staalconstructie van het gebouw zodanig wordt verhit dat instorting plaatsvindt voordat sprinklers in werking kunnen treden;
- Om dezelfde reden heeft het geen zin om sprinklers aan te brengen bij (of op) sprinklerleidingen die door een verder ongesprinklerde ruimte lopen. Een brand die ontstaat op enige afstand van de sprinklerleiding zal zich ongecontroleerd kunnen ontwikkelen met het bezwijken van de gebouwconstructie tot gevolg waardoor de sprinklerleiding alsnog beschadigd wordt;
- "Life safety sprinklers" bestaan niet. Wat hiermee bedoeld wordt is een beveiligingsconcept dat er in de eerste plaats op is gericht de persoonlijke veiligheid bij brand te verbeteren en niet, zoals bij de "standaard" sprinklersystemen, het behoud van gebouw en inventaris. Daarvoor worden speciale sprinklers toegepast, vaak met een snelle reactietijd (zoals quick response sprinklers);
- Ook is het niet zo dat sprinklers met een snelle reactietijd per definitie "life safety" sprinklers zijn. NFPA 101 beschrijft beveiligingsconcepten voor verschillende typen gebouwen in het kader van life safety, maar ook hierin is het niet zo dat sprinklers dan altijd quick response moeten zijn;
- Sprinklers zijn geen alternatief voor handblusmiddelen: een beginnende brand moet altijd met de hand kunnen worden geblust, het kan namelijk enige tijd duren voordat de sprinklers voldoende zijn verhit om aan te spreken, in de tussentijd zou een kleine brand al met een blusser of brandslang kunnen zijn geblust;
- Het is niet nodig om sprinklers te richten op delen van de hoofddraagconstructie om deze te koelen bij een brand. De verdeling van de sprinklers is hier binnen de sprinklervoorschriften al op afgestemd. Tenslotte is één van de belangrijkste doelstellingen van een sprinklerbeveiliging het in stand houden van het gebouw;
- Een brandweeraansluiting waarmee de brandweer bluswater in het sprinklerleidingnet kan pompen is over het algemeen niet zinvol. Voor de meeste sprinklerinstallaties is de benodigde capaciteit en druk veel hoger dan door een brandweerauto (tankautospuit) kan worden geleverd. Ook zal een eventuele inzet van de brandweer (als de watervoorziening van de sprinklerinstallatie gefaald zou hebben) pas na geruime tijd plaats kunnen vinden. Op dat moment zijn er waarschijnlijk al (zeer) veel sprinklers geopend waardoor met de beschikbare capaciteit en druk geen sproeipatroon gevormd kan worden bij de sprinklers. Een doeltreffende inzet van de sprinklerinstallatie is onder die omstandigheden op zijn minst twijfelachtig.
- Volgens de laatste ontwikkelingen bij NFPA en vooral FM is er met name voor de beveiliging van opslagrisico’s een betere blussing te verwachten van sprinklers met een verhoogde aanspreektemperatuur (meer dan ca. 120 °C). Deze aanspreektemperaturen zijn ogenschijnlijk te hoog in verhouding tot de normale omgevingstemperatuur. Maar door het samenspel tussen de verschillende factoren die bij de blussing door middel van een sprinklerinstallatie een rol spelen is e.e.a. optimaal op elkaar afgestemd en zal de werking niet "te traag" zijn zoals wel wordt gedacht.
- De minimal blustijd (sproeitijd) van een sprinklerinstallatie hoeft niet te worden gekoppeld aan de minimale brandwerendheid van brandcompartimenten die zijn bepaald volgens BvB. De sproeitijd van een sprinklerinstallatie wordt bepaald door het sprinklervoorschrift en heeft geen verband met BvB.
Aandachtspunten
Een sprinklerbeveiliging is altijd maatwerk voor een bepaald gebouw en een bepaald gebruik van dat gebouw (zie Introductie).
Het is daarom bij het ontwerp van een gebouw belangrijk een goede afstemming te maken, bij voorkeur voordat het ontwerp wordt gemaakt.
Enkele aandachtspunten daarbij zijn (let op: enkele van de vele aandachtspunten!):
- Gebouwhoogte (een onjuist gekozen dakhoogte kan het bijvoorbeeld noodzakelijk maken dat er een extra verlaagd plafond in het gebouw moet worden aangebracht);
- Dakhelling (bij opslaggebouwen is een dakhelling van meer dan 9,5° niet toegestaan);
- Stramienmaat (met een gunstig gekozen stramienmaat zijn grote aantallen sprinklers uit te sparen);
- Opslaghoogte;
- Temperatuur in het gebouw;
- Uitvoering palletstellingen;
- Soort goederen wat in het gebouw moet kunnen worden opgeslagen.
Voor opslaggebouwen die worden beveiligd met ESFR sprinklers gelden zeer strikte eisen ten aanzien van de overige gebouwinstallaties. Deze moeten zodanig worden aangebracht dat er geen obstructies ontstaan voor de ESFR sprinklers. De verschillende gebouwinstallaties moeten dan ook nauwkeurig worden met elkaar worden gecoördineerd.
De gebruiker van het te sprinkleren gebouw moet rekening houden met diverse organisatorische aspecten ten aanzien van de sprinklerbeveiliging zoals:
- wekelijkse test sprinklerinstallatie;
- Eisen ten aanzien van opslag van goederen (soort goederen, wijze van opslag);
- Vrije ruimte aan te houden onder de sprinklers (afhankelijk van het type beveiliging ca. 0,5 tot 1,0 m);
- Interne wijzigingen van het gebouw kunnen gevolgen hebben voor de sprinklerbeveiliging;
- Er mogen geen obstructies onder de sprinklers worden aangebracht die het verspreiden van het bluswater kunnen belemmeren: bij het aanbrengen van bijvoorbeeld lichtarmaturen of kabelgoten moet hiermee rekening worden gehouden.
|